FNRS 90 jaar

Peter Strijbosch: “Deurne was een nationaal en internationaal een bekende naam”

De naam van Peter Strijbosch is onlosmakelijk verbonden aan ‘Deurne’. Van 1974-2015 was hij achtereenvolgens instructeur, hoofdinstructeur en adjunct-directeur van de Nederlandse Hippische Beroepsopleidingen (NHB). Na de overname door AOC Midden en Oost Brabant werd hij er docent en na de reorganisatie bij Helicon Opleidingen werd hij coördinator internationalisering. In 2015 ging hij vervroegd met pensioen en nu zwerft hij nog over de wereld om voor de FEI-cursussen te geven. Hoe kijkt hij terug op een bijna-leven-lang Deurne?

18 maart 2021 | 11 minuten lezen

Eerst een nadere kennismaking. Peter Strijbosch (1951) woont in Horst , is gehuwd en heeft een zoon en een dochter. De wereld van het paard beheerst zijn leven, maar in de winter mag hij graag skiën. Hobby’s zijn per fiets het mooie van een land te zien en het vergaren van kennis over verschillende culturen. Als gepensioneerde voelt hij zich bevoorrecht omdat hij de dingen mag doen waar hij zin in heeft. Nog altijd is hij naar hij zegt begaan met het hippische onderwijs. Hij maakt deel uit van de FEI-werkgroep, die ‘hippische ontwikkelingslanden’ ondersteunt. In het verlengde daarvan gaf hij coach-cursussen in landen als Kenia, Chili, Costa Rica, Columbia, Turkije, Oman, Cyprus, Bahrein, Rusland, Egypte, Bulgarije, Taiwan, Estland en Kroatië. Voorts is hij ‘observer’ voor de International Group Equestrian Qualifications (IGEQ), die een of twee keer per jaar examenadviezen geeft. Verder vult hij zijn agenda met taken als examinator ORUN-cursussen, jurylid en lid van de herkeuringscommissie springhengsten bij het KWPN, inspecteur bij het Warmblood Studbook Ireland dat samenwerkt met het KWPN en geeft hij nog les. Als hij thuis is klimt hij nog iedere dag in het zadel van zijn paard (Numero Uno x Cardento). En dan is hij ook nog voorzitter van de Dorpsraad Horst, die zich inzet voor de leefbaarheid binnen de dorpsgemeenschap. Hoezo met pensioen?!

Larramy

Als jonge ruiter blijkt Peter Strijbosch talentvol. Zijn eerste grote succes boekt hij met Hella waarmee hij in 1972 NKB-kampioen samengestelde wedstrijd in Deurne wordt. De militaire dienstplicht roept en Peter wordt huzaar bij de Cavalerie in de Bernhard kazerne in Amersfoort waardoor hij kan blijven paardrijden. Een jaar later herhaalt hij het huzarenstukje in Harreveld van 1972 als hij -nu in militair uniform- met Hella zijn NKB-titel met succes verdedigt. In 1974 neemt hij met Hella ook nog deel aan het Europese Kampioenschap voor landelijke ruiters in Flyinge in Zweden.  In 1978 zien we hem weer op de hoogste trede van het ereschavot als hij met de geweldig springende Larramy het NKB-kampioenschap springen klasse Zwaar verovert in Wanroij. De combinatie behoort tot de top van de NKB en in 1980 wordt deelgenomen aan de NCRV Springtrofee.

Zijn mooiste overwinning? Strijbosch: “Dat was op 28 augustus 1979 in Groningen waar ter gelegenheid van het Gronings Ontzet het Nederlands Kampioenschap Springen werd verreden. Ik was met Larramy als enige tweemaal foutloos, won het laatste onderdeel en werd in de eindstand vijfde. Larramy vocht als een leeuw en wilde geen fouten maken. Toen ik het parcours liep werd het me bang te moede. Er stond écht een zwaar parcours. Larramy was een geweldig springpaard. Een jaar later werden we in Eindhoven weer vijfde in het KNHS kampioenschap.

In 1987 ben ik met het paard van mijn vrouw, Themisto, toen zij zwanger was nog uitgekomen in de ZZ-dressuur en won ik in Hooge Mierde de ‘Zilveren Kemphaan’. Al met al kon ik dus goed uit de voeten in de dressuur, het springen en in de samengestelde wedstrijden”.

Verjaardag

Ondertussen werkte Peter aan een toekomst in de paardensport. “Kijk, hier heb ik het diploma Leerling Pikeur, behaald op 10 juli 1971, ondertekend door Karel Schummelketel. Je moest naast het rijden, springen en een cross rijden, kunnen monsteren, leerde over stalverzorging, voltigeren en tuigenkennis. Daarna ging ik op voor het diploma Pikeur. Dat stelde heel wat meer voor. Je moest lesgeven, rijden en springen op drie verschillende paarden, alles weten over de verzorging van je paard en kunnen longeren. Je kreeg ook theorieles, onder andere over menskunde, trainingsleer, ziekteleer en voeding. Ik slaagde en ging door voor instructeur. Op 3 augustus 1972, mijn 21ste verjaardag, slaagde ik voor het diploma FNRS-instructeur 3e klasse. Het diploma is ondertekend door Sieg Pruikemaker, voorzitter FNRS, en Nora Tack, secretaris FNRS. Dat diploma was belangrijk. Je moest kunnen lesgeven, een paard volgens de klassieke rijkunst kunnen rijden en een springparcours afleggen, ook op drie verschillende paarden. In de dressuur moesten we zijgangen laten zien. Mijn paard Hella kon toen nog niet appuyeren. Ze liep te veel op de voorhand. Ernest van Loon was examinator en vroeg me te laten zien hoe je het appuyeren kon inleiden. Het tweede paard van een leerling van Jan Nijland kon wel goed de zijgangen laten zien en op dat paard kon ik aantonen, dat ik de techniek wel beheerste.

Theoretisch moest je heel veel weten over de regelementen van dressuurproeven en springparcoursen, over paardenkennis -die lessen werden gegeven door de bekende paardenarts drs. Laveaux- en je moest ook het nodige weten van boekhouden en bedrijfsleer.

Daarna moest ik in militaire dienst. Jan Went heeft ervoor gezorgd, dat ik bij de cavalerie kwam en op de militaire manege Marcroix in Amersfoort. In ruil daarvoor moest ik meerijden in het ere-escorte op Prinsjesdag. Ik heb dat vijf jaar gedaan. Jan regelde, dat ik een mooi tenue kreeg aangemeten, gesponsord door de familie Van Sytzema. Toen ik afzwaaide had ik geen duidelijk doel voor ogen. Zo ben ik een tijdje op pad geweest met hengstenhouder Vullers in Nunhem, die toen de hengst Marlando had.

Deze hengst zou in september de verrichting in Sleen doen en ik zou die hengst daar rijden. Het seizoen liep af in juli. En wat te doen in die tussentijd? In Deurne organiseerde de Nederlandse Pony Club (NPC) in de vakantie ponyleiderscursussen en kon daar aan de slag als instructeur. Na drie weken kwam Nora Tack kijken. “Wat denk je ervan als je hier blijft?”, vroeg ze. Ik zei dat ik een baan zocht. Jan Bardoel, die directeur van Deurne was, vroeg me enige tijd later instructeur te worden. Nou, dat wilde ik maar al te graag en we spraken af, dat ik op 1 september 1974 zou beginnen, maar dat ik eerst als ruiter zou meewerken aan het verrichtingsonderzoek van de jonge hengsten in Sleen. Op die dag begon Tjeerd Velstra als de nieuwe directeur en ik dus ook. Hengstenhouders mochten toen zelf ruiters meebrengen naar het verrichtingsonderzoek om  de paarden te berijden, die werden beoordeeld door Stef Metz. Ik kende Velstra niet en wist ook niet, dat hij mede-eigenaar van de volbloeddekhengst Solaris was, die enkele zonen in Sleen had lopen. Tjeerd vroeg me na terugkomst in Deurne: wat vond je van de Solarissen? Nou, die sprongen niet al te best, was mijn antwoord. Ik wist niet dat hij daar belangen in had. Dat was wel even pijnlijk”.

‘Schoolstrijd’

Wat trof je in Deurne aan?

Strijbosch: “Om te beginnen een gemakkelijk rooster. ‘s Morgens rijden en daarna theorie. Er was geen duidelijk leerplan. Op maandag en donderdag gaf Jan Terranea springles. Hij was duidelijk, maar ook keihard in zijn taalgebruik. Er waren leerlingen bang van hem. Op dinsdag en vrijdag gaf Ernest van Loon dressuurles en zijn lessen waren meer  gericht op ontspanning. Op woensdag gaf ik alleen les. De theorie werd op die dag verzorgd door de heren Laveaux en Büchner. Voor veel leerlingen waren de lessen van Terranea en Van Loon niet te volgen. Terranea liet ze bij wijze van spreken omhoog rijden, Van Loon omlaag. Een handige leerling wist zich wel te redden, maar de mindere leerlingen raakten in de war. Eigenlijk was er een soort ‘schoolstrijd’ aan de gang. Velstra’s eerste opdracht van het bestuur was een nieuwe hoofdinstructeur te benoemen, die leiding moest gaan geven aan jonge nieuwe instructeurs en die als team eenduidig moesten gaan lesgeven. Hij trok Leo de Bruijn en Cor Loeffen aan. Terranea werd de senior instructeur. Hij werd enkele jaren later ziek en moest stoppen. De jonge garde nam het van hem over. Wij waren geschoold op de wijze van ‘mond dicht en doen’. Je geloofde, dat het zo moest. Achteraf terugkijkend was het de arrogantie ten top en je vraagt je af hoe dat allemaal maar kon. Velstra voelde dat prima aan; we kregen later les van Henk van Bergen en Henk Nooren en we mochten ook naar Piet Oothout. Dat waren stuk voor stuk topinstructeurs. En een man als Piet van Binsbergen met zijn enorme kennis en uitstekende kijk op een paard. We keken als jonge instructeurs enorm tegen deze mensen op. Ik heb in die tijd ontzettend veel geleerd, op allerlei hippisch en didactisch gebied. Oothout wist dat te relativeren. “Het zijn gewone mensen, die allemaal als stumpers zijn begonnen”, zei hij dan. Hij bracht je het bewustzijn bij, dat je als instructeur nodig had. Hij had een hekel aan mensen, die alleen maar op een strik uit waren. Velstra gaf ons de ruimte om ons te ontwikkelen, gaf ons ook les. Ik reed Hella en Larramy in springconcoursen, maar Tjeerd kweekte bij mij het begrip hoe beter op hindernissen aan te rijden. Je kreeg van alle kanten kansen. In de weekends waren we vrij en konden we wedstrijden rijden. Tjeerd wilde, dat we carrière maakten in de sport en in het werk. Hij pushte dat! “Laat je kennis zien”, zei hij dan. De bestuursleden van de FNRS zagen dat anders, maar Tjeerd ging de strijd met hen aan omdat hij vond, dat je als instructeur in Deurne zelf ook een goed niveau van rijden en springen moest hebben. In de manege kun je je rijkunst niet laten zien. Hij was ook slim genoeg om ons te bekwamen in het voltigeren en het carrousel rijden. Ik heb zelfs carrousels in het Frans gecommandeerd. Dat leerde ik dan weer van Terranea. Eigenlijk waren we ouderwetse instructeurs in die zin, dat we breed opgeleid waren, spring-, dressuur- en theorieles konden geven. Velstra was een veelzijdige paardenman en die veelzijdigheid zag je terug. Ook haalde hij de hoefsmidopleiding naar Deurne en Jan Houdel werd de eerste instructeur voor de afdeling hoefsmid. Tjeerd regelde, dat ook de drafsportopleiding naar Deurne kwam en trok daarvoor Jos van Koolwijk aan. Ook de mensport werd door hem gepromoot; Ad Aarts ging later de menlessen verzorgen”.

Grote invloed

“Het beleid van Tjeerd zorgde er op het einde van de rit voor, dat ‘Deurne’ grote invloed kreeg in de paardenwereld. Cor Loeffen kwam in de hengstenkeuringscommissie van het KWPN en Leo de Bruijn werd daar jurylid. Ad Aarts werd bondscoach mennen en Jan Huizinga bondscoach bij de ponyruiters eventing. Martin Eeken, drafsportman, en Huub van IJzendoorn werden keurmeesters van hippische accommodaties. En ik vind mezelf terug bij de FEI. Ook kwam er een samenwerking met de proefbedrijven Brunssum en de Waiboerhoeve in Lelystad en op die manier kwam het JUMPEX-onderzoek naar Deurne. Ook werden we betrokken bij het EPTM-gebeuren. Opleidingen waren belangrijk, maar goede stageplaatsen ook. Eerst zorgde Nora Tack daarvoor, later Piet Ensing en na hem Ineke Lode. Daarna werd het een taak van de instructeurs.

Ik heb er geen problemen mee gehad, dat het onderwijsveld verdeeld was in beroepsmatige opleidingen in Deurne en niet-beroepsmatige opleidingen in Ermelo. De FNRS wilde eigen opleidingen voor de manegebedrijven en de recreatiesport. De KNF en de NKB wilden samen als sportorganisaties aan eigen kadervorming doen want hun rijverenigingen en ponyclubs wilden wedstrijden rijden. Er waren verschillende doelstellingen. Dat is lang niet altijd goed uitgelegd en begrepen. Beide opleidingen zijn door de jaren heen mensgerichter geworden. Ik ben heel veel op het Federatiecentrum geweest, kon het uitstekend vinden met KNF-hoofdinstructeur Tinus Ruiterkamp, die als geen ander de achtergronden van de opleidingen kende en heel veel wist van de parcoursbouw tijdens eventingwedstrijden”.

Stempel

We kunnen niet om de persoon Tjeerd Velstra heen, die in 2019 overleed. Hij heeft Deurne groot gemaakt. Hoe was je samenwerking met hem?

Strijbosch: “Tjeerd was een toppaardenman, kende de paardenwereld, had een uitstekend netwerk en wist altijd de goede mensen binnen te halen, die hem verder konden helpen. Hij gaf je veel ruimte. Zoek het maar uit, bel maar als er iets is, zei hij dan. Hij was geen man van vergaderstructuren. Hij gaf de voorkeur aan face to face-gesprekken in plaats van teambijeenkomsten. Vaak stuurde hij mij naar vergaderingen. Hij had vertrouwen in me, benoemde me tot hoofdinstructeur en in 1982 tot adjunct-directeur. Dat laatste gebeurde op een typische Tjeerd-manier. Hij was naar een schoolbestuursvergadering geweest. Daags daarna moest ik bij hem komen. Je bent nu adjunct-directeur en je mag niet zeggen, dat je het niet doet! Ik wist nergens van… Ik heb die functie twintig jaar mogen doen.

Tjeerd had zo zijn eigenaardigheden. Hij reed met zijn vierspan zo maar een rijhal in waar les werd gegeven. Dat gaf de nodige onrust. Zijn reactie: “Daar moeten ze maar tegen kunnen”.

We moesten een docent Nederlands hebben. Een van de kandidaten was een vrouw. Ze vertelde, dat ze zwanger was. Tjeerd sprak kritische woorden over de gezinsplanning. Dat kun je nu niet meer maken. “Heb je er last van?”, vroeg hij. De vrouw antwoordde, dat dit niet het geval was.  “Ik krijg in juli een baby en ben in september weer op school”. Tjeerd: “Dan ben je aangenomen!” Sollicitanten, die zijn naam verkeerd schreven, Veldstra in plaats van Velstra, werden niet uitgenodigd. Als ze dat al fout doen. Daarin was hij principieel.

Als vierspanrijder zette hij Deurne op de kaart. Mij is vaak gevraagd of dat mocht van het bestuur? Tjeerd nám die vrijheid. Wij achter de schermen zeiden: geef hem dat speeltje. We vonden het wel stoer wat hij deed. Voor de leerlingen was en bleef hij ‘meneer’ Velstra. Ik heb goed met hem kunnen samenwerken. Toen de fusie met Helicon plaatsvond ervoer Tjeerd dat als een keurslijf. Hij wilde vrijheid en heeft toen in overleg besloten, dat het beter was voor de school om te stoppen. Tot op de dag van vandaag heb ik dat jammer gevonden. Maar ja, gedane zaken nemen geen keer”.

Docent

We komen aan de laatste periode. Helicon nam Deurne over. De school werd een AOC. Hoe kijk je daarop terug?

Strijbosch: “Tjeerd werd opgevolgd door Willy Koppens. Hij kwam niet uit de paardenwereld. Liet onbevoegden lesgeven. Dat kon toen nog allemaal. Toen we een AOC werden werd ik ineens van instructeur docent paardensport. De leerlingenaantallen gingen omhoog, vooral omdat veel meiden zich aanmeldden. Zoals ik al zei: Deurne was een begrip, een merk. Helicon was in de paardenwereld de grote onbekende. Willy had ook geen verstand van paarden. Hij deed wel veel moeite om activiteiten naar Deurne te halen; het was wel een echte visionair. Er waaide een andere wind. Toen door de varkenspest de sector op slot ging vroeg Joep Bartels hem om dit mee vlot te trekken. Het werd de basis van de huidige FNHB, toen nog FNHO. Joep had een lijntje naar het Ministerie van Landbouw en dat kwam goed van pas. Ook had hij goede contacten naar de FNRS en de FNHO. De tandem Willy-Joep opereerde nuchter maar was vol van ideeën. Willy had veel respect voor paardenmensen en hij was geïnteresseerd in nieuwe ontwikkelingen, zoals de komst van het veiligheidscertificaat. Ook wilde hij samenwerken met het NKB-centrum in Wanroij en met de Koninklijke Stallen om daar mensen op te leiden. Hij zag een evenement als Horse Event helemaal zitten. Kreeg het voor elkaar om instructeurs uit Israël op te leiden. We deden de intake in Tel Aviv en ze haalden hun diploma in Deurne. Dat leverde mooi geld op. Hij zei nooit: het kan niet. Ook huldigde hij de stelling: Deurne kost geld, maar een school gaat nooit failliet.

Het college van bestuur van Helicon trok René Wijlens aan, die onderzoek moest doen naar de toekomstmogelijkheden van Deurne om naast school ook een researchcentrum te zijn voor de paardensector. René was geen paardenman, maar kon wel geweldige structuren op papier krijgen. Er werden echter geen beslissingen genomen. Frans Hoeks, voorzitter van het bestuur van Helicon, was wel een paardenliefhebber. De relatie tussen Frans en Willy was goed, maar tussen Frans en René ging het minder. Nadat René Wijlens was opgestapt werd de vacature ingevuld door Piet Bastiaansen. Weer kregen we een directeur, die geen verstand van paarden had en de sector niet kende. Het was wel een man, die knopen doorhakte, de interne structuur en de financiën op orde probeerde te brengen. Hij was vooral intern gericht bezig. Frans Hoeks ging weg en Ab Groen werd de nieuwe voorzitter van het College van Bestuur van Helicon. Die keek naar de cijfers en concludeerde, dat het ‘vijf voor twaalf’ was. Ab en Piet besloten resoluut de stekker eruit te trekken. Niemand wist ergens van. De sector, de gemeente Deurne en het personeel hebben het besluit ervaren als een overval. Niemand kon ook reageren. Het hoofd Personeelszaken was ziek; niemand wist waar men aan toe was. Ik moet zeggen, dat Helicon de zaken wel op correcte wijze heeft afgebouwd. Alle leerlingen hebben de kans gekregen hun opleiding af te ronden. Met het personeel werden gesprekken gevoerd. Helicon had werk genoeg en niemand werd ontslagen. Ik heb in die afbouwfase nog lesgegeven. Ik kreeg twee jaar voor mijn pensioen het voorstel om na een jaar uit te stappen. Ik was teleurgesteld, dat ik het laatste jaar niet mocht blijven. Deurne was mijn ziel en zaligheid”.

Relatie

“Mijn relatie met de FNRS is altijd een goede geweest. Goede stagebedrijven vond ik belangrijk, waar aandacht was voor de leerlingen en waar ze het vak konden leren. De toenmalige directeur Wilfred Franken bezocht regelmatig onze school. Tijdens diploma-uitreikingen en stagebiedersdagen waren vaak vertegenwoordigers van de FNRS aanwezig. Ik maakte zeker negen voorzitters mee: als ik het me goed herinner Sieg Pruikemaker, Hendrik Meijer, Joop de Jong, Peter van de Schans, Joop Pisa, Jan Rijken, majoor b.d. Beekers,  Heleen Lindeman en John Kraakman. De FNRS heeft zich in positieve zin ontwikkeld, maar ik vind het jammer, dat de FNRS en de KNHS als aparte organisaties zijn ontstaan. Ons land is te klein om twee professionele brancheorganisaties te hebben. Nu de FNRS er is, had ik graag gezien, dat de FNRS de brancheorganisatie voor alle hippische ondernemingen was geworden. De sector is enorm veranderd en krachtenbundeling is nodig. Ik hoop, dat alle professionele bedrijven toch een keer onder één dak komen”.

Lid worden?FNRS-bedrijven