FNRS 90 jaar

Patrick Mensink over Deurne: “In Deurne kreeg je duidelijkheid, je wist precies waar je aan toe was.”

Veel hippische ondernemers, die bij de FNRS zijn aangesloten, hebben hun (instructeurs)diploma behaald op NHB Deurne. Zo ook Patrick Mensink van Ruitersportcentrum Zeewolde in Zeewolde. Hij bouwde, samen met zijn vrouw Janneke Mensink het bedrijf op waarna zijn kinderen, Joris en Iris Mensink, de dagelijkse gang van zaken 8 jaar geleden overnamen. Dat je hard moet werken in de paardensector is hem met de paplepel ingegoten in Deurne en dat gaf hij Iris en Joris ook mee. Wat vond hij van de opleiding en Deurne en hoe kijkt hij terug op zijn tijd in Deurne?

5 maart 2021 | 7 minuten lezen

Voordat Patrick naar Deurne ging had hij eigenlijk nog niet zoveel ervaring in de paardensector. Op zijn 22e werkte hij bij de Albert Heijn in Lelystad en managede daar de versafdeling. Patrick: “Ik werkte daar een tijdje, maar zag het niet zitten om dat mijn hele leven te blijven doen. Toen ben ik via een familielid in contact gekomen met Anton van Hoof, eigenaar van het Burgers’ Zoo in Arnhem. Het leek mij wel leuk om in een dierenpark te gaan werken. Zo kwam ik regelmatig met hem aan de praat en zei hij op een gegeven moment tegen mij: “Je moet eens bij een paardenbedrijf gaan kijken, je lijkt mij geschikt om in de paarden te gaan werken.” Nou, zogezegd zo gedaan. Toen ben ik naar de familie Bronkhorst in Ermelo (nu Sequoia Stables) gegaan en heb ik ze gevraagd of ze me konden helpen een vak te leren.”

In 1975 begon Patrick bij de manege en leerde daar paardrijden, want hij had überhaupt nog nooit op een paard gezeten. Toen hij vier jaar bij de manege werkte ging hij in 1979 naar Deurne om intern een opleiding te volgen. Patrick: “Je ging dan vijf dagen intern en je moest voorselecties rijden. We werden beoordeeld op de manier van rijden en ze keken ook naar je werkhouding en instelling. Daarna hoorde je of je was aangenomen. Eigenlijk bekeken ze direct of je geschikt was voor het vak. Ik weet nog dat ik daar de eerste keer binnenkwam met mijn paard. Daar stond meneer Brammeier, de stalbaas, die mompelde wat binnensmonds dat ik een box moest opzoeken. Ik verstond de beste man helemaal niet en ik vroeg wat hij zei. Toen kreeg ik natuurlijk een reactie zoiets als: 'je snapt ook niks van de hele wereld.' De toon was gezet."

Hoe zou je de sfeer op Deurne omschrijven?

“Autoritair is het eerste dat in mij opkomt. Het was eigenlijk het idee van een kostschool in al zijn geledingen. Ik denk dat het vroeger de manier was om mensen bij te brengen hoe het er in de paardensector aan toe ging en je leerde op deze manier  of je in deze sector thuishoorde of niet. Het is een vak dat 24 uur per dag door gaat en dat moest je beseffen. Het is heel anders dan een baan van negen tot vijf. Als je die instelling had kon je beter vertrekken.“

Het autoritaire kwam op verschillende manieren naar voren. “Ten eerste zat je natuurlijk intern, dat was al een beetje het idee van een kostschool. Je had vaste tijden dat je binnen moest zijn. Zondagavond om elf uur moest iedereen binnen zijn en daar werd streng op toegezien, want de volgende dag begon de volgende lesweek weer. Er waren bijvoorbeeld vaste tijden om te ontbijten en je kreeg altijd klusjes die je voor je rekening moest nemen. Iedereen had zijn eigen ‘dienst’. Zo had je hooidienst, voerdienst en manegedienst. Bij manegedienst moest je de rijbaan harken en sproeien. Wat je gelijk leerde was dat alles schoon en netjes moest zijn. Dat werd je vanaf het eerste moment ingeprent. Op zaterdagochtend mocht je na de zogenaamde boxcontrole pas naar huis.”

Deze boxcontrole is bijna een traditie van Deurne te noemen: “Om half tien moest je klaar staan bij de stal van je paard met je zadel en hoofdstel. Alles moest schoon zijn. Je stal werd nagekeken; deze moest schoon en ontsmet zijn en zelfs de raampjes moesten schoon gemaakt zijn. Er mocht niets aan je box mankeren. Je mocht pas naar huis als alles voor elkaar was. Op deze manier werd discipline bijgebracht: wees op tijd en zorg ervoor dat alles schoon is ” Vanuit meerdere generaties leerlingen van Deurne hoor je verhalen terug over de boxcontrole. Weliswaar veranderde er door de tijd heen wel eens wat, bijvoorbeeld de dag van de controle. Maar het bleef altijd een belangrijk onderdeel van de opleiding.


Patrick Mensink samen met zijn dochter Iris en zoon Joris

Welke docenten zijn je altijd bijgebleven?

“Docenten die mij zijn bijgebleven zijn Cor Loeffen, Peter Strijbosch en Leo de Bruin. In het eerste jaar had ik Peter Strijbosch als leraar, in het tweede jaar had ik Cor en in het laatste jaar had ik Leo de Bruin. De opleiding was eigenlijk altijd een soort afvalrace. We begonnen altijd met een man of 25 aan de opleiding en bij het eindexamen was je nog met een paar over. De lessen van Peter Strijbosch waren altijd heel duidelijk. Hij was een leraar die je altijd probeerde te enthousiasmeren en je te motiveren voor het vak. Hij wilde graag dat je de goede weg zou blijven volgen.
Van Cor Loeffen heb ik toch wel het meeste geleerd. Hij was heel duidelijk in zijn uitleg. In het vlak van rijden en lesgeven heeft hij mij het meeste bijgebracht. Als je het niet goed deed maakte hij dat heel duidelijk, maar zo nu en dan, als je het goed deed, kon hij je daar ook een dikke pluim voor geven. Maar het was altijd duidelijk wat er moest gebeuren en daardoor wist je waar je aan toe was. Ik was 26 toen ik naar de opleiding ging en dus al wat ouder dan de meeste klasgenoten. Daardoor kon ik er waarschijnlijk ook wel iets beter mee omgaan. Als ik het niet terecht vond dan ging het ‘het ene oor in en het andere weer uit’. De springlessen van Cor waren beroemd. Er was altijd één iemand in de les die het niet goed deed. Die kreeg dan regelmatig ongenadig onderuit de zak. Dat ging dan op zo’n manier dat de rest van de les overal vreselijk om moest lachen. Degene waar hij het op gemunt had die kon dan wel door de grond zakken!”

Taalgebruik…

Patrick leest het stuk over taalgebruik in Deurne. Patrick: “’Jullie leren het nooit!’ en ‘Krullentrekker!’ zijn echt uitspraken die ik herken. Dat werd regelmatig gezegd!"

Hippische instructeurs staan bekend om hun vaak ‘beeldend’ taalgebruik. Zo ook in Deurne. Frans van der Ent had een heel eigen vocabulaire, weet Mieke van den Heuvel te melden. Bij hem was dressuur rijden ‘figuurzagen’ en springen ‘een huppeltje maken’. ‘s Avonds kookte hij niet, maar maakte ‘een culinair hoogstandje’. Hij kreeg te vaak niet ‘het Zwitser-leven-gevoel’ bij het zien van de verrichtingen van zijn leerlingen en probeerde hen dan te motiveren met opmerkingen als ‘soepkip, je maakt er een familiepaard van’ en ook ‘durf jij niet over dat houtje heen te springen?’ Cursisten van vrouwelijke kunne werden zelfs gestimuleerd met ‘als je een jongen was ging je er wel overheen’. De ultieme afmaker was natuurlijk ‘ben je hier nou shetlander aan het rijden of wat?’

Het JUMPEX-team verzamelde beroemde uitspraken van ‘meneer’ Cor Loeffen. Een kleine selectie: Trekken! Geven! Handen naar de oren! Niet naar je eigen oren! D’r af! Kojboj! Lelijke, lelijke, lelijke binnendoor fietser! Jullie leren het nooit! Trekzak! Je bent alles wat God verboden heeft! Teugels een halve meter langer! Hand naar de knie! Tuttebel! Koppensneller! Krullentrekker! Leer nou eens wat van mij! En heel af en toe…: goed gereden jongen/meisje!

Bron: ‘Het boek van NHB Deurne’. Verhalen, anekdotes en foto’s uit het schoolleven. Uitgegeven door Helicon Opleidingen te ’s-Hertogenbosch bij de sluiting van het opleidingscentrum te Deurne.

 

Heeft Nora Tack ook een belangrijke rol gespeeld tijdens jouw opleiding?

“Nora gaf geen les op de opleiding, maar was wel regelmatig aanwezig. En ik werkte dus bij de manege in Ermelo en haar paarden stonden daar gestald. Daardoor kende ik haar redelijk goed. Ze had een schimmel staan, Brandal en een paard Groot Slem. Die moesten we dan wel eens longeren of we mochten erop rijden in de stagiaire les. Dan stond ze over haar brilletje te kijken langs de bakrand.”

Bij ‘het verhaal’ van Deurne hoort een ‘apart’ verhaal van Eleonora Tack (1916-2002). Nora Tack was een aparte vrouw en ook al apart in haar verschijning, klein, met rij-jas en een jopper daarover heen en met jopperschoenen aan leek ze een Engelse, terwijl ze in Batavia werd geboren. Mevrouw E.S. Tack coördineerde de opleidingen binnen de FNRS. Toen Deurne werd geopend werd ze daar een van de drijvende krachten. Van 1974-1982 was ze daar in vaste dienst als consulente. Een standbeeld vertolkt de waardering, die men voor haar had als instructeur en schrijver van boeken. In haar jonge jaren werd ze de eerste vrouwelijke directeur van een manegebedrijf. Over haar doen mooie verhalen de ronde.

 

“Ik weet nog wel een keer dat ze op stal kwam en ik was alleen aan het werk. Toen wist ik nog helemaal niet veel van het vak en ik was de stal aan het vegen. Ze kwam aanlopen en pakte een bezem en ze vroeg: “Weet jij wel een beetje hoe deze werkt?” Dus toen zei ik: “Nou als u nou daar in de hoek begint, dan kunnen we het samen aanvegen.” Ik had meteen spijt van deze grap, maar twee seconden later stond ze in de hoek en hielp ze mij met vegen. Dat kon ze dus wel hebben."
"Natuurlijk was ze erg rechtlijnig en heel duidelijk. Maar je wist wel waar je aan toe was. En als je een beetje nuchter was en je niet zo druk maakte over haar status, ze was natuurlijk een autoriteit, kon je best een grapje maken met haar. Volgens mij mag het rechtlijnige en duidelijk zijn best wel wat meer blijven in de opleidingen van nu. Het is een vak waarin duidelijke communicatie vaak effectiever is dan alles met een zachte handschoen aanpakken. Soms vraagt de situatie om duidelijke communicatie.”

Stelling over het NHB, uit het blad D'RAF uit 2004

Wat waren voor jou de sterke punten aan de opleiding in Deurne?

“Je leerde echt een vak en Deurne stond bekend om de instructeurs die theoretisch onderlegd waren. Ze wisten goed te vertellen hoe het eraan toe ging in sector en ze keken ook goed of je geschikt was voor het vak. Het waren instructeurs die zelf ook in het vak zaten. Ze hadden een visie en echt iets te vertellen, daardoor luisterde je ook echt naar ze. Peter Strijbosch was bijvoorbeeld een ruiter die echt goed kon rijden. De meeste docenten gebruikten dus ook goede voorbeelden om iets duidelijk maken. Neem bijvoorbeeld de theorielessen over rijtechniek. Die vond ik altijd heel erg interessant. Je ging met ze in gesprek en soms kwamen ze expres met een kromme redenering. Ze wilden je aan het denken zetten en lieten je dingen zelf uitzoeken en bedenken wat goed was."

"In de opleidingen zoals die nu bestaan zou er best wel weer wat meer terug mogen komen van Deurne. Zoals ik al omschreef was het heel erg duidelijk en soms misschien wel streng, maar je wist wel wat het vak inhoudt als je van school ging. Niet iedereen is opgewassen tegen dit vak en in Deurne werd al snel het kaf van het koren gescheiden. Maar als je het tot het eind wist te halen had je wel echt een vak geleerd.”

Lid worden?FNRS-bedrijven